Thema Kwaad en Vergeving
“Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven”
Mensen willen eigenlijk niet slecht zijn en willen eigenlijk geen kwaad doen. Alle mensen dragen in zich het verlangen om goed te zijn en goed te doen.
Dat verlangen is eigenlijk ook ‘de Geest van God’ in ons! Maar mensen doen kwaad omdat ze angstig zijn en dan ook egoïstisch.
Ze willen hebben, ze willen bezit en macht. Daardoor kunnen ze verschrikkelijke kwade dingen doen.
Mensen doen erg kwade dingen, maar zijn wezenlijk niet slecht. De ‘goede mens’ kan altijd terug aan bod komen, als men dat wil en daartoe de kans krijgt.
Het weer goed maken wil ook zeggen: weer goed willen worden. Maar dat kan niet zonder toe te geven dat men kwaad heeft gedaan en zonder vergeving te vragen.
Jezus zegt dat we op die vraag nooit ‘nee’ kunnen zeggen!
Bijbelllezing: David en Batseba
Toen de dag van Pinksteren aanbrak waren allen bijeen op dezelfde plaats.
Plotseling kwam er uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak, en zij vulde het hele huis waar zij gezeten waren.
Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en zich in tongen verdeelde, en het zette zich op ieder van hen neer.
Allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen te spreken in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf.
Te Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk onder de hemel.
Toen dat geluid ontstond, liep de menigte te hoop en tot hun verbazing hoorde iedereen hen spreken in zijn eigen taal.
Zij waren buiten zichzelf van verwondering en zeiden:
“Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken?
Hoe is het dan mogelijk dat ieder van ons hen hoort in zijn eigen moedertaal?
Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en die delen van Libië die Cyrene heten, de Romeinen die zich hier gevestigd hebben, Joden zowel als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken van de grote daden Gods.”
Allen waren buiten zichzelf en geheel van hun stuk gebracht.
De een zei tot de ander: “Wat heeft dit toch te betekenen?”
Maar anderen zeiden spottend: “Zij zullen wel dronken zijn van jonge wijn.”
(Handelingen 2, 1-13)
Filmfragment: The Boy in the Striped Pyjamas
Het verhaal speelt zich af in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De vader van hoofdrolspeler Bruno is een hoge nazi. De familie verhuist van Berlijn naar een huis aan de rand van het concentratiekamp Auschwitz in Polen als deze vader promotie maakt.
Bruno, 9 jaar oud, heeft niemand om mee te spelen. Hij heeft alleen zijn zus Gretel, die 12 jaar oud is, maar hij heeft geen goede band met haar.
Langs hun nieuwe huis loopt een lang hek. Uit het raam van zijn kamer ziet Bruno in de verte achter het hek mannen en jongens in gestreepte “pyjama’s”. Hij is nieuwsgierig en gaat altijd al graag op onderzoek uit (zoals in het grote vorige huis in Berlijn), en gaat dat nu ook doen, maar nu, zonder dat zijn ouders het weten, naar de vreemd geklede mensen buiten.
Het is het concentratiekamp, maar dat fenomeen kent Bruno niet. Hij denkt juist dat het daar gezelliger is dan aan zijn kant. Hij sluit vriendschap met de gevangen Joodse jongen Shmuel. Hij gaat er vaak naartoe, waarbij hij eten voor Shmuel meeneemt, en beiden aan weerszijden van het hek blijven.
Bruno’s moeder vindt de omgeving van het concentratiekamp geen plek voor een kind. Op haar aandringen stemt haar man ermee in dat ze met de kinderen terug gaat naar Berlijn. Vlak voor ze vertrekken gaat Bruno onder het hek van het kamp door. Shmuel heeft kampkleding (een shirt, een broek en een muts) meegenomen en samen gaan ze op zoek naar Shmuels vader, die al enige dagen zoek is.
Doordat Bruno een muts draagt valt hij nog minder op in het kamp. Dit heeft fatale gevolgen: toevallig worden juist tijdens zijn bezoek aan de barak van Shmuel de aanwezigen, waaronder dus de beide jongens, naar de gaskamer gedreven. Daar pakt Bruno de hand van Shmuel, en verklaart dat deze zijn beste vriend voor het leven is. In de chaos die volgt is Bruno vastbesloten Shmuels hand niet los te laten.
Bruno wordt gezocht, maar nooit gevonden. Bij de bevrijding van het concentratiekamp door de Russen wordt Bruno’s vader weggevoerd.
In het fragment zien we dat Shmuel in het huis van Bruno glazen moet afwassen en opblinken. Bruno geeft hem wat van de koekjes die op tafel staan. Maar als Shmuel nog aan het knabbelen is komt er een SS-officier binnen die Shmuel van diefstal beschuldigt en Bruno ontkent dat hij Shmuel kent en dat Shmuel zijn vriend is…
Waarom ontkent Bruno dat hij de joodse jongen kent?
Biechtmomentje
Welke onzalige houdingen heb jij wel eens aangenomen? Overloop het lijstje hieronder eens.
- EERZUCHT : ik doe en zeg dingen om gezien te worden en omdat anderen met bewondering naar mij zouden kijken
- HEERSZUCHT: ik wil het altijd voor het zeggen hebben, het best weten, het eerst weten, ik wil altijd dat mijn idee uitgevoerd wordt
- OPVLIEGENDHEID: ik ben snel kwaad wanneer er iets tegenzit
- SPOT: ik lach anderen uit wanneer ze missen of iets niet kunnen, of iets niet hebben
- GEWELD: ik denk dat ik mezelf altijd met schoppen en slaan moet verdedigen
- LIEGEN: ik ben soms zo bang om mijn fouten te bekennen en zeg dan de waarheid niet
- DIEFSTAL: ik nam al eens iets weg van een ander
- VERSPILLING: ik verbruik, eet of snoep soms onnodig veel terwijl anderen dingen te kort hebben
- LEVEN ZONDER GOD: eigenlijk geef ik God geen plaats in mijn leven want ik neem geen of zelden tijd om te bidden, kom bijna nooit naar de eucharistieviering en lees bijna nooit verhalen of woorden van Jezus
- WOEDE: ik kan kwaad worden om erg onbelangrijke dingen
- EGOISME: ik denk alleen aan mijn eigen belang als ik moet beslissen
- RODDELEN/ KWAADSPREKEN: ik zeg vaak negatieve dingen over anderen. Het is soms sterker dan mezelf. Ik doe het dagelijks zonder het altijd te beseffen.
- ONVERSCHILLIGHEID: ik ontmoet wel eens mensen die mijn hulp nodig hebben: zieke klasgenoten, eenzame of zieke mensen die uitzien naar een bezoekje, arme mensen bij ons en in het Zuiden waarvoor ook ik een beetje geld kunnen geven – maar ik ga zo vaak voorbij aan die oproepen
Het verhaal van Jozef
Zou jijzelf ook zo vergevingsgezind zijn als Jozef?
Dit is het verhaal van Jozef. Hij had elf broers.
Tien waren ouder als hij. Benjamin was zijn jongste broer. De tien grote broers van Jozef hielden niet van hem: hij was een verklikker. Als ze maar iets verkeerd deden liep Jozef naar hun vader Jakob om het te zeggen. Ze waren ook jaloers op hem omdat vader Jakob hem het liefste zag.
Niet lang geleden liet vader voor Jozef een heel mooi kleed maken. Zijn broers vonden dat erg, ze wilden voor zich ook wel zo’n kleed. En er was nog iets wat ze niet graag hadden bij Jozef: hij droomde vreemde dromen, waar ze niet van hielden. Zo droomde Jozef dat de zon, de maan en elf sterren zich voor hem bogen. En Jozef zei dan: ‘Die elf sterren, dat zijn jullie.’ ‘Dat is het toppunt’ zeiden zijn broers en ze wilden niets meer met Jozef te maken hebben.
Op een dag waren zijn grote broers al van ’s morgens vroeg vertrokken met de schapen om in de bergen eten voor ze te zoeken. Rond de middag zei vader Jakob tegen Jozef: ‘Ga naar je broers, kijk hoe het met hen gaat en kom het me dan vertellen’. Jozef ging er heen. Zijn broers zagen hem al van in de verte komen. ‘Zie eens wie daar aankomt, onze grote dromer’ zeiden ze.
Toen Jozef dicht bij hen was namen ze hem vast, trokken ze hem het mooie kleed uit en wierpen hem in een uitgedroogde waterput. ‘Nu zijn we van hem verlost’ zeiden ze. En ze keken verder om naar hun kudden terwijl Jozef diep in de droge put zat. Een tijdje later hoorde Jozef mensen die druk praatten. Ze wilden hem uit de put helpen. Maar wat gebeurde er? Zijn broers verkochten hem aan de handelaars, waarmee ze tevoren aan het praten waren, voor twintig zilverstukken. Die namen Jozef geboeid mee met hun karavaan naar Egypte.
‘Nu hebben we ons gemakkelijk van Jozef kunnen afmaken’ zeiden de broers. ‘Maar wat zal vader hiervan zeggen. Jozef is zijn liefste zoon.’ Een van hem nam het mooie kleed en sopte het in het bloed van een schaapje dat ze gedood hadden. ‘We zullen vader het kleed tonen en hem vragen: is dit misschien het kleed van uw zoon? En dan zal vader denken dat Jozef door wilde dieren is aangevallen en door hen is opgegeten.’ Toen ze ’s avonds thuis kwamen en het kleed aan vader Jakob toonden was vader Jakob diep verdrietig. ‘Ik zal mijn lieve zoon nooit meer weerzien! Hij is dood!’ jammerde hij.
Terwijl vader Jakob weende en keek naar het kleed van Jozef, werd Jozef door de handelaars op de markt verkocht als een slaaf. Zo kwam hij in het huis van Potifar, een belangrijk man die werkte bij de farao, de koning van Egypte.
Hij werkte er veel en deed het goed. Daarom zei Potifar op een dag tegen Jozef: ‘Vanaf vandaag ben jij de belangrijkste dienaar in mijn huis, alle anderen moeten naar jou luisteren.’ Op een dag riep de vrouw van Potifar Jozef. Ze was verliefd geworden op hem en wilde hem dat zeggen. Jozef wist niet wat hij hoorde. Hij zei: ‘Ik wil helemaal niet verliefd worden op de vrouw van mijn baas.’ De vrouw werd erg kwaad en Jozef liep weg. ’s Avonds zei de vrouw tegen Potifar: ‘Nu moet je toch eens horen: Jozef is verliefd op mij. Dat kan toch niet, wat denkt hij wel!’ Dat was gelogen, maar dat wist Potifar niet en hij stuurde Jozef naar de gevangenis.
Al vlug mocht Jozef voor de andere gevangenen mee helpen zorgen. Op een dag zei een van de gevangenen tegen hem: ‘Ik had een vreemde droom. Ik droomde dat ik een wijnstok had. Daar kwamen drie ranken aan en aan die ranken kwamen druiven. Toen nam ik die druiven, perste ze en gaf ze aan de farao te drinken.’ Jozef dacht diep na. Dan zei hij: dat wil zeggen dat je binnen drie dagen uit de gevangenis mag.’ En zo gebeurde: drie dagen later kwam de man vrij en mocht terug werken bij de farao, de koning van Egypte.
Twee jaar later schoot de farao wakker uit zijn slaap. Hij riep enkele mannen bij zich en zei: ‘Nu had ik toch een vreemde droom. Ik droomde van zeven mooie vette koeien. Toen kwamen er zeven lelijke magere en die aten de zeven vette koeien op.’ Niemand kon deze vreemde droom verklaren. Tot de wijnschenker terugdacht aan Jozef. Jozef mocht uit de gevangenis om de droom van Farao te verklaren. Hij zei: ‘Zeven jaar zal er heel veel graan zijn. Daarna zal er zeven jaar hongersnood zijn. Maar de mensen zullen niet van honger doodgaan, omdat ze zullen eten van de voorraden van de voorbije jaren.’ Toen zei de farao tegen Jozef: ‘Jozef, ik denk dat wat jij zegt juist is. Wil jij ervoor zorgen dat we de eerste zeven jaar al dat graan in schuren kunnen doen en dat het daarna goed verdeeld wordt?’ Jozef zei: ‘Dat wil ik doen, Farao.’
Jozef werd onderkoning van Egypte. Hij zorgde ervoor dat al het graan dat er teveel was, opgeslagen werd in grote schuren. Na zeven vruchtbare jaren hield het op met regenen. Niets groeide er nog. De mensen leden honger, maar niet in Egypte. Daar zorgde Jozef voor.
Op een dag kwamen tien mannen bij Jozef. Het waren zijn tien grote broers. Hij herkende ze, maar zij herkenden hem niet. Hij zei heel nors: ‘Wie zijn jullie? Ik denk dat jullie bedriegers zijn.’ ‘Dat zijn we niet’, zeiden ze, ‘we zijn tien broers die in Egypte wilden graan kopen.’ Maar Jozef geloofde hen niet en zei dat ze hun jongste broer moesten meenemen om te tonen dat ze niet logen. Intussen moest één van de broers, Simeon, in de gevangenis blijven. Verdrietig gingen de negen broers naar huis.
Onderweg zeiden ze: ‘Wat zal vader hiervan zeggen? Hij is zijn liefste zoon Jozef kwijt. Simeon is gevangen in Egypte en nu moet Benjamin naar Egypte …’ Thuis gekomen vertelden ze hun droevig verhaal en besloten niet direct terug naar Egypte te gaan. Maar de grond bleef droog en de voorraad raakte op.
Toen zei vader Jakob: ‘Jongens, ga naar Egypte, want als we er geen graan kopen dan gaan we hier allen dood van de honger.’ Zo gingen ze naar Egypte samen met Benjamin. Daar werden ze hartelijk ontvangen door de onderkoning die nu niet zo nors was. Omdat Benjamin met hen mee was mocht Simeon uit de gevangenis. Toen ze al hun zakken vol hadden met graan gingen ze goedgezind naar huis.
Maar hé… wie liep daar achter hen? Een dienaar van de onderkoning. Hij zei: ‘Jullie zijn dieven, jullie hebben de zilveren beker van mijn koning gepikt!’ ‘Dat kan niet’, zeiden de broers, ‘kijk maar onze bagage na.’ De dienaar deed dat. Toen hij de zak graan van Benjamin opende riep hij: ‘Ik heb jullie dieven genoemd en dit is het bewijs!’ en hij zwaaide met de zilveren beker boven zijn hoofd.
Juda, een van de broers zei: ‘Als dat zo is, dan zijn we je gevangenen.’ ‘Neen, zei de dienaar, ‘alleen de dief moet gevangen worden.’ Maar Juda dacht aan zijn vader en aan het verdriet dat hij zal hebben als hij verneemt dat Benjamin in de gevangenis zit. En hij zei: ‘Nee, wij gaan allemaal samen mee.’
Jozef zag al zijn broers terugkomen. Hij vernam ook dat ze hun vader geen verdriet wilden doen. Hij moest ervan wenen. ‘Ik ben Jozef’, zei hij. De broers keken op. ‘Ik ben Jozef die jullie aan vreemdelingen verkocht hebben. Zo kwam ik in Egypte en werd ik uiteindelijk onderkoning. Ik ben niet langer kwaad op jullie. Ik denk dat God wou dat dit gebeurde zodat ik jullie nu kan helpen.’ En Jozef omhelsde elk van zijn broers.
Toen ze enkele dagen later naar huis wilden gaan zei Jozef: ‘Zeg tegen vader Jakob dat hij naar Egypte moet komen. Hier hoef je geen honger te hebben.’ Toen vader Jakob al dit goede nieuws hoorde, maakte hij plannen om naar Egypte te gaan. Dan zou hij zijn lieve Jozef terugzien. Wat ook gebeurde.
(Tekst uit: Bijbel in 1000 seconden)





